De Gouden Formatiekooi

Om de stilte in mezelf op te vullen, heb ik altijd weer nieuwe dingen nodig om te volgen. Zo had je tien jaar geleden het televisieprogramma ‘De Gouden Kooi’, in de volksmond ‘de treitervilla van John de Mol’ genoemd. De formule was simpel: een stuk of tien mensen in een kapitale villa en de kandidaat die alle anderen wegpestte, won het huis.

Ik heb ooit ‘de Walging’ van Sartre gelezen, maar dat haalde het qua existentialistische leegte niet bij de Gouden Kooi. Of ‘Reis naar einde van de Nacht’ van Céline, ook geen feestje, met beschrijvingen van soldaten die in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog volledig uit elkaar spatten na inkomend granaatvuur. Maar het was lang niet zo huiveringwekkend als de moddervette Terror Jaap die, met z’n drie onderkinnen steunend op z’n handpalm, mismoedig voor zich uit zat te staren terwijl hij werd uitgescholden door een schoonmaakster.

“Vuil vies kolerejong, je moet je ogen uit je kop schamen, vierentwintig ben je en dan zo vies, vies dik”. De schoonmaakster was boos omdat Jaap de nacht ervoor in zijn eigen kots had liggen rollen, maar dat was natuurlijk geen reden om Jaap zo te kwetsen. In 2007 kon dat nog gewoon, toen was alles nog niet zo overgevoelig. Eigenlijk had de televisie opgeheven moeten worden na de Gouden Kooi; de zinloosheid van ons bestaan is nooit meer beter in beeld gebracht. Als er een dvd-box met alle afleveringen was, zou ik ‘m kopen. De existentialist John de Mol beviel mij wel.

Stilte, een verschrikking. En Mark Rutte maar trots zijn op de radiostilte die hij weet te bewaren tijdens de ellenlange formatie. Tot vandaag, want ik heb hier groot nieuws van de formatietafel: ChristenUnie-voorman Gert Jan Segers is naar eigen zeggen ‘volledig overtuigd geraakt van een voltooid leven’. Aanstaande woensdag zal hij daarom precies om één uur ‘s middags van het dak van het Amsterdamse Hilton springen, net als Herman Brood in 2001. Vanaf de stoep voor het hotel zal hij worden toegejuicht door ChristenUnie-collega Carola Schouten en de zes onderhandelaars van de andere partijen.

Informateur Zalm laat weten die middag andere verplichtingen te hebben, maar ook hij juicht de sprong in het diepe van Segers zeer toe. “Het zat een beetje vast, er was wantrouwen, gelukkig heeft Pechtold Gert Jan Segers weten te overtuigen van een voltooid leven”, zo laat de informateur weten. Tja, zo’n feest wordt het natuurlijk niet aanstaande woensdag. De politiek is een Gouden Kooi, maar helaas wel eentje met radiostilte.

verschenen op metronieuws.nl

 

Advertenties

Appelpunt

‘Het meest bang ben ik voor het scenario dat Trump’s pokerspelletje met atoombommen goed afloopt’, denk ik terwijl ik een appelpunt met slagroom bij IKEA eet. Of met een sisser, in dit geval de gloeiende raketten van Noord-Korea die in het koude zeewater rond Guam ploffen. Dan zal The Donald pas echt overmoedig worden. Dus ja: liever nu maar een beperkte atoomoorlog met een miljoen doden. Een miljoen doden is immers beter dan een miljard doden straks. Is dat zo Raymond? Klopt het filosofisch gezien wat je daar beweert? En ben je bereid om zelf één van die miljoen doden te zijn als daardoor een miljard mensenlevens worden gered? Natuurlijk niet, geen sprake van. Ik ben Jezus van Nazareth niet.

De Zondagsrust

Kan iemand me de wetenschappelijke basis uitleggen voor een voltooid leven? Heeft Nietzsche daarover gepubliceerd, of Schopenhauer? Als ik een voltooid leven zou hebben, zou ik mezelf niet van kant maken maar juist een feestje geven. Het is me nogal een prestatie, een heel leven voltooien. Maar ja, ik heb dus geen idee hoe dat moet want er bestaat geen wetenschappelijke definitie van voltooid leven.

‘Boven aan het lijstje met moeilijke onderwerpen: stervensbegeleiding bij voltooid leven’, meldt de Volkskrant op 29 juni 2017, ruim honderd dagen na de verkiezingen, over de kabinetsformatie. ‘Pechtold wil nog steeds dat het een vrije kwestie wordt zodat hij buiten de coalitie om naar een meerderheid op zoek kan’, schrijft de krant verder. Ah, voltooid leven is niks wetenschappelijks maar gewoon het nieuwe D66-kroonjuweel, zoals dat vroeger het referendum en de gekozen burgemeester waren. Doet u mij uit het D66-assortiment: een voltooid leven.

Maar serieus, moet minister-president Rutte nu aan de andere regeringsleiders in Brussel gaan uitleggen dat de kabinetsformatie hier na honderd dagen hangt -sorry voor het woord- op voltooid leven? En zou de Griekse premier Tsipras dan stiekem hopen dat die gekke Hollanders collectief euthanasie plegen en hun zuurverdiende centen aan zijn straatarme land nalaten? D66 is toch zo’n ultra-eurogezinde partij die altijd graag een goede beurt wil maken in Brussel? Waarom laten ze de op hol geslagen voormalige journaalmevrouw Pia Dijkstra dan de boel versjteren met haar voltooide leven?

Maar alle gekheid op een stokje: ik ben eigenlijk doodsbang dat ik me in 2038 bij dokter Pechtold in een kil en onpersoonlijk ziekenhuiskamertje moet melden. Waar dokter Pechtold constateert dat ik sociaal geïsoleerd ben geraakt omdat ik de snelle D66-prestatiemaatschappij niet kon bijhouden. Om vervolgens gretig een papiertje uit de zakken van zijn witte doktersjas op te diepen. Een verwijzing naar zuster Dijkstra, die wel raad weet met gevallen zoals ik.

Je zou er bijna ChristenUnie van gaan stemmen. Nu heb ik dat sowieso al eens overwogen vanwege de Zondagsrust. Als we de Zondagsrust in ere herstellen en een dag per week even helemaal tot onszelf kunnen komen, krijgen we misschien wel minder behoefte aan al die euthanasie.

verschenen op Joop.nl

Oud Utrecht: wetenschappelijk verantwoorde journalistenborrel op papier

In de jongste editie van het tijdschrift Oud Utrecht staat de geschiedenis van de Utrechtse media centraal. Na een uitzinnige borrel in café Willem Slok -zo’n prachtig nieuw nummer moet immers feestelijk ten doop worden gehouden- vond Nieuws030-redacteur Raymond Taams de volgende morgen een exemplaar van het tijdschrift naast zijn kussen. Oh ja, hij had beloofd om er een recensie over te schrijven. In alle soorten van genoegen.

Wat direct opvalt is de logische opbouw van het blad. Ach, eigenlijk is het hoofdredacteurschap hetzelfde als het uitoefenen van de functie van bondscoach; het enige wat je hoeft te doen is het materiaal op de juiste plek zetten. Dat is uitermate goed gelukt want de eerste drie artikelen, geschreven door respectievelijk mediahistoricus Huub Wijfjes, conservator stadsgeschiedenis Renger de Bruin en geschiedkundige Annelies Noordhof-Hoorn, zijn wat analytischer en wetenschappelijker van aard. De lezer krijgt een heldere blik op zo’n vijf eeuwen persgeschiedenis. Daarna is het de beurt aan de wat vlotter geschreven verhalen door Utrechtse journalisten. Waarmee ik overigens niet wil zeggen dat de wetenschappelijke stukken onleesbaar zijn. Integendeel, ook die eerste drie verhalen zijn rijk aan smeuïge geschiedenissen. Als lezer is het de kunst om zoveel mogelijk sappig vlees van het wetenschappelijke bot af te kluiven. Geloof me, dat levert een voedzame maaltijd op.

En dan als toetje de heerlijke verhalen van Utrechtse journalisten als Louis Engelman, Ton van den Berg en Ad van Liempt. Met het woord ‘toetje’ doe ik die stukken trouwens ernstig tekort; het zijn allemaal hoofdgerechtjes op zich. Engelman bespreekt soepeltjes een halve eeuw roerige geschiedenis van de Utrechtse School voor Journalistiek. Van den Berg geeft een inkijkje in de nogal cowboy-achtig aandoende wereld van de huis-aan-huisbladen en schildert portretten van markante Utrechtse journalisten. Ad van Liempt haalt herinneringen op aan de laatste jaren van dagblad Het Centrum, dat in 1971 moest fuseren met het Utrechts Nieuwsblad. Ik heb het dan nog niet eens gehad over voormalig RTV Utrecht-medewerkster Fleur Kuijf, die in het verleden van de Utrechtse radio en televisie dook, en het artikel over De Utrechtse Muurkrant dat een mooi inkijkje in een politiek bewogen decennium geeft.

In de mediaspecial van Oud Utrecht staan nog meer goede verhalen dan er bij de borrel ter gelegenheid van de presentatie van het nummer al over tafel gingen. Dat zegt wat, want de combinatie journalisten en cafébezoek is legendarisch qua sterke anekdotes. Maar u kunt beter het tijdschrift lezen, dat scheelt een kater en je weet de volgende dag alles nog gewoon.

verschenen op Nieuws030

De wereld kookt over

Een bloedhete zondag, eind mei 2017. Loom besluit ik om vier uur ‘s middags even een rondje te gaan lopen om mijn flat. Het verschil met een gewone werkdag is opvallend. Ik woon aan een drukke verkeersader, veel verkeer komt hier de stad binnen. Hoewel er prima werkende stoplichten zijn is het getoeter rond spitstijd normaal gesproken niet van de lucht. ‘Gefrustreerde kantoormensen’, denk ik dan altijd, maar ik heb er geen onderzoek naar gedaan. Vandaag is alles anders; bijna geen auto’s, ik hoor vogels fluiten en de mensen op straat sjokken traag voort. ‘Stel je voor zeg, een dag zonder gillende sirenes, dat ik dat nog mag meemaken’, denk ik bij mezelf. Want politie en brandweer gieren doorgaans onafgebroken voorbij.

Ik heb het nog niet gedacht, inmiddels ben ik halverwege mijn rondje om de flat, of een brandweersirene klinkt. Nu lijk ik misschien een wat zeurderige man die maar beter in een hutje op de hei kan gaan wonen, maar op zomerse nachten slaap ik met het raam open, dwars door het geluid van de motoren van voorbijrijdende auto’s heen. En op een vakantie in Bulgarije sliepen mijn vriendin en ik boven een discotheek die tot zes uur ‘s ochtends doordreunde. “Doe maar alsof het een onweersbui is, daar kun je ook weinig aan veranderen”, zei ik tegen mijn -inmiddels- ex. Nee, het zijn de hoge tonen van geïrriteerd getoeter en nerveuze sirenes waardoor ik soms overweeg te verhuizen.

Om deze ene brandweersirene kan ik wel lachen, ontspannen kuier ik voort, mijn slippers slepend over de hete stoeptegels. Bijna als ik de hoek om wil gaan scheert een auto met grote snelheid vlak langs mijn lichaam. Het is echt een haardikte afstand die voorkomt dat ik geschept word. Door de naderende brandweer heb ik ‘m niet aan horen komen. De bestuurder kijkt me vernietigend aan en trapt het gas nog even extra in. Binnen vier seconden is hij uit het zicht, maar zijn boze blik blijft hangen.

‘Laat ik het niet persoonlijk opvatten, misschien heeft die jongen gewoon een rotdag’, sus ik mijn gemoed. In een minder ratrace-achtige maatschappij waren de bestuurder en ik wellicht de grootste vrienden geweest. Ik ga maar snel weer naar boven, een beetje rommelen in mijn flat, zoals ik deze hele dag al doe. Maar het is voor mij nu officieel: de wereld is gestaag aan het overkoken.

verschenen op metronieuws.nl

 

Zijn er nog antwoorden?!

vraag Raymond Taams

“Ik ben een rijschoolhouderszoon zonder rijbewijs en dat is niet aantrekkelijk voor vrouwen. Wanneer het je zelfs als rijschoolhouderszoon niet lukt om een rijbewijs te bemachtigen, tja, waartoe ben je dan wel in staat? Goede seks, zeker, maar na een keer of acht verlies ik mijn interesse. Zo komt het dat ik verslaafd ben geraakt aan internetdaten. Bij wijze van therapie stelde een goede vriend mij voor dat ik eens met mezelf zou daten. Mijn vraag is nu: hoe komt een mens zichzelf tegen op de digitale snelweg?”

antwoord Liesbeth Mende 

Jij bent jezelf allang tegengekomen. Jij moet jezelf leren herkennen. Ga eens na met wie je allemaal een date hebt gehad. Stuk voor stuk mensen waarin jij jezelf herkent. Dat lieve lachje van dat meisje in de gele trui? Dat lijkt precies op je eigen lach waarop je wel eens oefent in de spiegel. Dat meisje in het paars dat hard lacht om je grappen over duiven? Zelf lach je ook het hardst om je duivengrappen.

Allemaal stukjes van jezelf waar je verliefd op wordt, maar die je na een keer of acht verafschuwt en dan ren je ervan weg. De confrontatie is te groot. Het komt te dichtbij. En dan ga je weer op zoek naar een ander. Een ander stukje van jezelf waar je verliefd op wordt.

Schaam je niet, blijf maar lekker even vrijen met die stukjes van jezelf. Geniet ervan. Maar hou die rijschool van je ouders erbuiten. En vooral het feit dat je geen rijbewijs hebt. Je gaat in de slachtofferrol zitten en dat is niet aantrekkelijk. Ook voor jezelf niet.

vraag uit het publiek

“Wat heeft u nodig om de doodlopende straat waarin u woont een nieuwe dimensie te geven?”

antwoord Raymond Taams

Wat ik nodig heb om de doodlopende straat waarin ik woon een nieuwe dimensie te geven? Qua verkeer is een doodlopende straat niet zo spannend dus laat ik het breder trekken. Om te beginnen kan ik niet zonder straatcoach. Werkelijk, ik heb geen idee hoe ik een brief zou moeten posten zonder hulp van een straatcoach. Een aftrekcoach zou overigens ook prettig zijn. Een af-trekcoach, bestaat dat? Het kan niet anders dan dat dat bestaat, een aftrekcoach. Iedereen is coach tegenwoordig, je hoeft maar de stam van een werkwoord te nemen, er ‘coach’ achter te zetten en je hebt een aftrekcoach. Maar goed zo’n aftrekcoach is meer voor binnenskamers, zelfs in een doodlopende straat ga je niet zomaar staan masturberen, ik tenminste niet.

Een buurtregisseur, ja een buurtregisseur hebben we nodig. We hebben namelijk nog zo’n modern fenomeen in onze straat: tuig-vloggers. Jaren lees je in de krant over straatcoaches en buurtregisseurs, maar op het moment dat de buurjongens beginnen met hun wekelijkse tuigvlog is er geen buurtregisseur te bekennen.
KAN DAAR IETS AAN GEDAAN WORDEN MISSCHIEN?!!

bijdrage aan de Vorlesebühne, editie ‘Zijn er nog antwoorden?’

De man die zijn jas niet naar de stomerij bracht en daarna geen seks meer had

Net als zijn vader was Ramon altijd erg bijgelovig geweest. Hij kon zich nog goed herinneren hoe hij als jongetje ieder jaar op oudejaarsavond in de tuin vuurpijlen afstak met zijn vader. ‘Om de boze geesten te verdrijven’, zei papa dan altijd. Op een dag, ergens rond de eeuwwisseling, besloot die ouwe dat het maar eens klaar moest zijn met al dat bijgeloof. Hij moest toevallig naar het postkantoor om een nieuwe postbus te openen en ontdekte dat postbusnummer 1313 nog vrij was. “Dat was kaassie voor mij”, had papa glunderend gezegd bij thuiskomst. “Kaassie’, geen idee wat dat woord precies betekende, maar hij gebruikte het altijd als hij een slim dealtje had gesloten. ‘Ik zag dat partijtje oude stoelen bij die opkoper staan en dacht: dat is kaassie voor mij.’ Kaassie was dus ongeveer hetzelfde als ‘spekkie naar mijn bekkie’. Ach, in zijn studententijd had Ramon een vriend gehad die namen van nazi-kopstukken verbasterde om aan te geven hoe lekker hij het eten vond. ‘Dat pizzaatje is goed te goebbelen’ of ‘Goeie Göring, die chocolaatjes’. Dat ‘kaassie’ van zijn vader was helemaal zo vreemd nog niet geweest. Moedig had hij het gevonden van pa; voor eens en altijd afrekenen met je bijgelovigheid door dwars door de angst heen te gaan en postbusnummer 1313 te nemen. De moed werd beloond: nog geen twee jaar na het openen van postbusnummer 1313 was papa overleden en daarna had Ramon hem nooit meer horen klagen over bijgeloof.

“Vroeger had ik een natuurkundeleraar en die zei altijd als het raam openstond tijdens de les ‘Oh jee het tocht, nu word ik ziek’, en dan was hij de volgende dag ook ziek.” Dit voorbeeld had de psychiater aan Ramon gegeven om te illustreren dat de menselijke geest sterk is, en dat daarom vaak gebeurt wat je gelooft. Ja, na het noodlottige ongeval met postbusnummer 1313 had Ramon besloten dat hij professionele hulp moest zoeken om van zijn eigen bijgeloof af te komen. Hij kon wel op de dertiende verdieping van een flat gaan wonen of elke maand een staatslot kopen met eindcijfer dertien, maar de werking daarvan was wetenschappelijk niet onderbouwd en bovendien wilde hij niet dood. De opmerking van de psychiater over de menselijke geest die zo sterk is, was blijven hangen in het hoofd van Ramon. Het borrelde steeds weer naar boven, tijdens het afwassen, tijdens het wandelen, douchen, zwemmen, enzovoort. Als het onbewust steeds weer in zijn hoofd schoot, dan was dit waarschijnlijk het handvat waarmee hij zichzelf van zijn bijgeloof kon genezen. Voortaan zou hij zich ervan bewust zijn dat de menselijke geest nu eenmaal sterk is en zich niet meer laten leiden door alle bijgelovige gedachten. Dat zou de bijgelovige gedachten uiteindelijk onschadelijk moeten maken.

Meteen dat weekend had hij een kinderverjaardag waarop hij zich zo stierlijk verveelde dat hij aan de sterke drank ging. Hij deed dat wel vaker, al zijn vrienden hadden inmiddels kinderen, hijzelf niet en de verjaarspartijtjes werden steeds geciviliseerder dus je moest wat en katers had hij, zelfs op zijn zesendertigste, bijna nooit. Maar deze keer was het fout gegaan omdat hij nog achterin een auto mee terug moest naar zijn eigen stad. Zelfs dat was eigenlijk nog geen probleem, maar door de plas sterke drank die op zijn maag dreef was de schaal met chocoladepaaseitjes, die hij kort voor vertrek naar binnen had geschrokt, niet verteerd. Hij kotste de hele auto onder en ook zijn mooie nieuwe jas, die volgens het wasvoorschrift alleen bij de stomerij gereinigd mocht worden. De volgende dag had hij een date en dit was zijn mooiste jas; er was geen tijd om hem naar de stomerij te brengen. Dus dan maar gewoon in de wasmachine met dat ding en na afloop even ruiken… nee, de zurige kotslucht was er volgens Ramon helemaal uit verdwenen, maar het bleef hem niet lekker zitten. Er stond toch niet voor niets in het wasvoorschrift dat de jas naar de stomerij moest? De date met het meisje mislukte faliekant, op een gruwelijke manier. Er vielen onaangename stiltes en ze beklaagde zich erover dat hij zo weinig lachte. De koppeling in zijn hoofd was gemaakt; het meisje had onbewust de kotslucht geroken en daardoor argumenten verzonnen om hem af te wijzen. Normaal gesproken was hij best succesvol met internetdates. Hij besnuffelde de jas de volgende morgen nog eens goed, maar er was echt geen lucht van schrale kots die zijn neusvleugels prikkelde. Dit was dus weer puur bijgeloof, en de jas nu naar de stomerij brengen zou geldverspilling zijn. Hij zag er prima uit na de wasbeurt en bovendien was hij van katoen. Op internet had Ramon gelezen dat katoen altijd wel in de gewone wasmachine kon. Nee, het was mooi geweest, dit bijgeloof ging geld kosten, dit kon echt niet. Ondanks dat vreeswekkende zinnetje dat hij altijd op de roltrap bij het Centraal Station las, dat zinnetje van de Utrechtse schrijver Cees Crone over dat hoe verder je gaat, hoe langer je terugweg is, volhardde hij. De menselijke geest is sterk, dus als wat je gelooft waar wordt, kun je ook geloven dat je je bijgeloof kunt verslaan als je maar lang genoeg volhardt. Maar alle dates mislukten vanaf dat moment. Ramon was een fanatieke internetdater en had soms wel drie afspraken met een nieuw meisje per week. De scores hield hij bij en normaal gesproken scoorde hij één uit drie. Nadat de jas niet naar de stomerij was geweest, ging alles de mist in.

Moedeloos liep Ramon op een dinsdagmiddag door de openbare bibliotheek. Daar ging hij altijd heen als hij zich moedeloos voelde. Het leek een verzamelplaats voor moedeloze mensen; wanneer hij er zat te internetten zat er vaak iemand naast hem binnensmonds te vloeken als het internet even vastliep. Dan stond hij maar weer op en ging dwalen langs de rekken met boeken. Deze middag was dat ook weer gebeurd en zo stuitte hij op een boekje van Marquis de Sade. ‘Bandeloos en wreed, één van Sades beste teksten’, stond er te lezen op de achterkant. Het was een toneelstuk waarin een meisje van vijftien op alle mogelijke manieren werd verkracht door een groepje verveelde aristocraten. En toen ze er genoeg van hadden om het kind te bezoedelen werd de tuinman nog even naar binnen geroepen omdat hij zo waanzinnig groot geschapen was. Het was voor de seksuele opvoeding van het kind bevorderlijk als de tuinman ‘m er ook nog even doorheen zou harken. Werkelijk, het moderne Vijftig Tinten Grijs was een onschuldig Disneyverhaaltje vergeleken bij dit toneelstuk van Marquis De Sade. Vooral toen de moeder van het kind verhaal kwam halen aan de deur bij de aristocraten. Voor straf werd de moeder vastgebonden en vervolgens volgespoten met syfilis door de koetsier, die speciaal voor deze taak zijn paarden even onbewaakt op de oprijlaan moest laten staan. Maar hij was de enige die het karweitje kon klaren omdat hij zo’n ernstige vorm van syfilis onder de leden had. Daar ging je nog gewoon aan dood in de negentiende eeuw, en tegenwoordig misschien ook nog wel.

De personages in het werk van De Sade gingen zo ver dat er geen weg meer terug was, legde Ramon intuïtief de link met het zinnetje van Crone. Hun misdaden zijn zo kolossaal dat ze niet te verontschuldigen zijn. Hoe kon het toch dat Cees Crone hier in Utrecht, aan het begin van de twintigste eeuw, zoiets oppassends had geschreven terwijl een eeuw eerder in Parijs, vijfhonderd kilometer hiervandaan, zulke bandeloosheid aan het brein van een schrijver was ontsproten? En in welke tijd leefde hij nu, alweer een eeuw later? Zou hij een gulden middenweg moeten bewandelen tussen Cees Crone en Marquis de Sade? Hun teksten hadden zich allebei sterk in zijn hoofd genesteld, waar ze vochten om voorrang. Dat bleef zo in de weken erna. De wereld om hem heen werd bovendien steeds onrustiger. Donald Trump werd president van Amerika en naarmate de lente dichterbij kwam werden de mensen op straat opgefokter. Het leek wel alsof alles wilde uitdijen. Langzaam kwam Ramon erachter dat zelfs in het rustige Utrecht, waar hij was opgegroeid en nog steeds woonde, een nieuwe tijd was aangebroken. Het zinnetje van Crone was er nog wel op het station, maar niet meer op de duifgrijze blinde muur waarop het vroeger stond. Nu waren het felle, witte letters op een grimmig, donkergrijs hekwerk boven de roltrap. Tussen de stalen draden had zich allerhande zwerfvuil genesteld; flarden van treinkranten, plastic verpakkingen, een zakje wokkels dat door de zon en de regen was verbleekt en je met z’n opengescheurde bovenkant hulpeloos aankeek, een duivenveer… Hoe vaak had hij als puber niet naar dat zinnetje op de duifgrijze muur staan staren, op van die trage zomeravonden als de trein maar niet kwam en een spannend leven onbereikbaar leek. Maar de wereld was duidelijk veranderd. Uitdijen moest je, het heelal kent geen terugweg, de jas ging niet naar de stomerij.

inzending ILFU verhalenwedstrijd, verschenen op Nieuws030