Koektrommel moet dicht voor Trump

‘Trump heeft een punt’. Ik kan dat zinnetje niet meer horen uit de monden van onze leiders en opiniemakers. Vooral niet als het gaat over de NAVO-begroting. Mark Rutte kan beter iets twitteren in de trant van: ‘Dear Donald, ik ben het zat om tegen die hoge GORILLARUG van je aan te moeten kijken, om nog maar te zwijgen van die VARKENSKOP en alle anti-intellectuele BULLSHIT die er onophoudelijk uitstroomt’.

Dan zit onze MP volgende week weer op de thee in het Witte Huis, en hebben ze samen de grootste schik. Zo is het bij Kim Jong-un toch ook gegaan? Die noemde The Donald ‘gestoord’ en ‘seniel’. Je moet mensen aanspreken in hun eigen taal. Dat is een teken van respect, vind ik.

Trump heeft trouwens helemaal geen punt. Amerika is na het winnen van de Tweede Wereldoorlog het machtigste land ter wereld, en om dat te blijven hebben ze overal militaire bases nodig. Dat kost geld; als ze zich dat niet meer kunnen veroorloven, nemen de Chinezen gewoon de macht over. Zo is de loop der dingen, het is oog om oog, banaal, en alles valt omhoog – citeer ik de Utrechtse dichter Ingmar Heytze.

Hooguit kun je zeggen dat Europa beter af is in een wereld onder Amerikaanse heerschappij, hoewel je je dat zo langzamerhand af kunt vragen. Een president van een democratisch land moet zijn burgers de veiligheid bieden om hun eigen keuze te maken. Trump doet het tegenovergestelde: hij hitst mensen op, tegen de media bijvoorbeeld. Op die manier sloopt hij de randvoorwaarden voor democratie.

Voor gemankeerde mensen als Trump is het nu eenmaal nooit genoeg. Hoe meer je hem geeft, hoe meer hij zal blijven schreeuwen om nog meer. Straks een tweede termijn, en daarna moet papa’s prinsesje Ivanka president worden, om te worden opgevolgd door een andere telg uit het roemruchte Trump-geslacht. Net zolang tot ‘White House’ in de volksmond is omgedoopt tot ‘Trump House’.

De koektrommel moet dicht voor deze grote kleuter. Er kan hem niet vaak genoeg ‘NEE!’ verkocht worden. En dan niet één keer met een schalkse glimlach en de beentjes charmant over elkaar, zoals Rutte laatst deed, maar tot vermoeiens toe en met de grimas van een bullebak. We hebben een goedmoedige bullebak (M/V) nodig in het Torentje.

verschenen op joop.nl

 

Advertenties

Mama & Michels

Nu we deze zomer zo nadrukkelijk WK-loos zijn, is het misschien eens goed om de waarde van voetbalsucces onder de loep te nemen. Een van mijn vroegste herinneringen is dat ik met mijn beide ouders in de berm langs de A2 bij Maarssen stond te zwaaien naar de spelersbus van het Nederlands elftal. Het was 1988, we waren Europees kampioen geworden. Na de busrit werden bondscoach Rinus Michels en zijn spelers als Goden door de Amsterdamse grachten gevaren. Tegen een uitzinnige menigte op het Museumplein sprak Michels zijn legendarische woorden: “Bedankt, en we zullen het nooit, nooit vergeten”. 26 juni 1988, wat een dag.

In het najaar van 2004 kwam mijn moeder met een opmerkelijk verhaal terug van Zorgvlied in Amsterdam. Ze had het graf van mijn die zomer overleden vader bezocht. Wandelend over kronkelige grindpaadjes tussen stenen en grafmonumenten was ze Rinus Michels tegen het lijf gelopen. Hij ging elke dag trouw naar zijn pas gestorven vrouw. De man die door de FIFA werd uitgeroepen tot beste coach van de twintigste eeuw maakte een zeer sombere indruk.

“Maar u heeft toch ook hele grote successen gehad, die u allemaal met uw vrouw heeft kunnen delen?”, probeerde ma hem nog wat op te beuren. “Ach”, had Michels gezegd, “ik zou al die successen zo inruilen als ik haar daarmee terugkreeg.” Rinus Michels, de spijkerharde Generaal, de man van de uitspraak ‘voetbal = oorlog’. Mind you.

Het voorjaar daarop overleed de legendarische trainer aan complicaties na een hartoperatie. Hoewel ik de medische details niet ken, was waarschijnlijk de wil om te winnen verdwenen bij de, volgens de Britse kwaliteitskrant The Times, ‘beste coach van na de Tweede Wereldoorlog’.

Mama is er inmiddels ook al een tijdje niet meer, en in de Ierse pub waar ik normaal gesproken zo graag naar de wedstrijden van het Nederlands elftal kijk, sta ik deze dagen wat hulpeloos te hangen in een hoekje bij de bar. Om me heen juichen mensen voor land X of land Y, of voor allebei even hard. Het is er net zo benauwd als in vorige voetbalzomers en de halve liters bier worden in ijltempo getapt. Vervreemdend is het, maar wat maakt het uit. Ik leef, en ik heb mensen om me heen. Voetbal is geen oorlog, voetbal is onzin. Onzin waar we in 2020 hopelijk weer aan mee mogen doen.

verschenen op metronieuws.nl

Een beroep

Shit, Denise stuurde vanmorgen iets over een verhalenwedstrijd van Lowlands. Dat is het nadeel van je vrienden wijsmaken dat je schrijver wilt worden. Ik doe dat ook niet voor mijn lol. Er was een tijd dat ik gewoon werkloos was en toen vertelde ik bijvoorbeeld aan al mijn internetdates dat ik ZZP’er was. Dat is een hele goede tip, dan durven mensen niet door te vragen. Na een hele tijd werkloos te zijn geweest had ik het geluk dat een oudoom van mij overleed. Hij was homoseksueel en heeft zijn hele leven in Sint Petersburg gewoond. Via Facebook hield hij contact met mij, zijn lievelingsachterneef. Toen zijn testament werd voorgelezen was ik in één klap een rijk man. Sindsdien zeg ik tegen mijn omgeving dat ik de ambitie heb om literator te worden, en dat ik werk aan mijn eerste boek. Dan vragen mensen ook niet verder door. Dan denken ze hooguit dat je gek bent, maar ‘gek’ is nog altijd sympathieker dan ‘rijk, verveeld en lui’.

Maar nu moet ik dus iets doen om Denise, op wie ik al jaren heimelijk verliefd ben, niet teleur te stellen. Vanmorgen tijdens het mediteren -dat doe ik elke dag een uur- schoot me opeens iets leuks te binnen. In mijn hoofd maak ik altijd rijtjes tijdens het mediteren. Bijvoorbeeld: ‘door hoeveel vrouwen ben ik precies gepijpt?’ of ‘hoeveel vrouwen heb ik in mijn huidige flat uit de kleren weten te praten?’. Vanmorgen bedacht ik een nieuwe variant: hoe vaak heb ik seks gehad terwijl er huisdieren in dezelfde kamer aanwezig waren? Zelf heb ik geen huisdieren, zelfs geen goudvis. En sowieso, stel dat ik een goudvis had en zijn kommetje stond op een meter afstand van mijn bed. Ik weet niet hoe ver een goudvis kan kijken, maar ik kan me niet voorstellen dat hij twee ketsende blote lijven kan onderscheiden van -laten we zeggen- een berg oliebollenbeslag.

Het was dus zaak alle meisjes waarmee ik het gedaan heb op een rijtje te zetten. Ik begon er maar meteen mee. De eerste was Suzanne. Met haar heb ik het zeker driehonderd keer gedaan, maar altijd op haar kleine flatje en daar waren geen huisdieren aanwezig. Dat ik het zo vaak met haar heb gedaan is niet omdat de relatie zo lang duurde. Maar ik had te lang gewacht met mijn ontmaagding en daardoor kreeg het arme kind mijn hele libido over zich heen. We deden het standaard vijf keer op een avond, en dat drie maanden lang. Ze overleed heel plotseling aan een hartstilstand. Na haar dood bleek ze helemaal geen familie te hebben, en zelfs geen vrienden en ook geen huisdieren dus. Omdat ik destijds in de bijstand zat, kon ik haar uitvaart niet bekostigen. Het werd uiteindelijk zo’n intens droevige, door de gemeente bekostigde begrafenis, met een mislukte dichter die gratis en voor niks een gedicht kwam voorlezen. Kort daarna overleed die dichter trouwens ook, wat me niks verbaasde, want als je alleen nog gevraagd wordt op uitvaarten van mensen die geen vrienden hebben, dan is duidelijk dat de natuur je niet meer nodig heeft. Dat je rol in de natuur is uitgespeeld, zeg maar.

Ja, nu ik zo halverwege dit verhaal ben, geloof ik dat deze vertelling werkelijk potentie heeft. Het is nog beter dan het verhaal dat ik ooit instuurde naar een lokale schrijfwedstrijd. Dat deed ik ook niet voor mijn lol, dat deed ik omdat ik in de bijstand zat. Ik had die veel te lieve mensen achter het bijstandsloket wijsgemaakt dat ik het in me had om een groot schrijver te worden. Daarom lieten ze deelname aan schrijfwedstrijden ook tellen als sollicitatie. Mijn verhaal had als titel ‘De man die bij iedereen zeer geliefd was, behalve bij de vrouw die hij verkrachtte’. Dat ik als laatste eindigde had ermee te maken dat er allemaal van die zure linkse kutten in de jury zaten, van die vrouwen die een progressief orgasme krijgen als Oprah ‘Time is up! Time is up!’ roept in de #Metoo-discussie. Maar misschien vonden ze zelfs Oprah wel te rechts, zo zuur waren die wijven in de jury.

Maar anyway, ik zat dus te mediteren en ging in gedachten al mijn sekspartners langs om na te gaan of ze huisdieren hadden. Met Soraya had ik het bij haar ouders thuis op zolder gedaan, terwijl haar zusje beneden keihard Andrea Bocelli draaide trouwens, maar dat terzijde. Haar ouders hadden een hond, zo’n vies, langharig beest dat eruitzag alsof hij om het uur de sloot in sprong. Dat beest kwam alleen nooit hoger dan de eerste verdieping, en al had hij het gewild, hij had ons niet kunnen zien seksen omdat zijn vacht als een gordijn voor zijn ogen hing. En maar hijgen, met die smerige lange tong van ‘m. Danielle dan? Nee, die was later wel een kattenvrouwtje geworden, maar dat was ver nadat we het bij haar thuis op de bank hadden gedaan. Ik moest haar trouwens eens van Instagram verwijderen, ik werd helemaal gek van die klote-kattenfoto’s die ze tegenwoordig de hele dag postte.

Maar ik dwaal vreselijk af. Dat heb ik dus altijd, dat mijn gedachten alle kanten opvliegen. Daarom mediteer ik elke dag. Na al mijn vijfenzeventig sekspartners in mijn hoofd te hebben nagelopen, kwam ik erachter dat pas bij de aller- allerlaatste -Josje heette ze- sprake was van seks met dieren in de kamer: twee poezen die vanuit hun mandjes onder de flatscreen aan de muur verveeld lagen toe te kijken hoe ik op de driezitsbank de slanke benen van Josje geroutineerd uit elkander trok. Dit brengt me bij de conclusie van mijn betoog, ik bedoel: als ik twee katten zie naaien, dan stoot ik degene naast mij tenminste nog aan, waarna we waarschijnlijk beiden gebiologeerd toekijken. De poezen van Josje gaven geen fuck. Loom in de verte starend lagen ze te knikkebollen onder de televisie. Het zijn natuurlijk nachtdieren en ik deed het vroeg in de avond met Josje omdat ik nog een andere date had.

Zo, dit was wel weer genoeg flauwekul. Ik kan nu tenminste tegen Denise zeggen dat ik een verhaal heb geschreven voor die wedstrijd. Denise heeft trouwens ook twee katten. Is dat een mooi rond einde van mijn verhaal? Nee, godverdomme, ik moet nog meer onzin verzinnen. Schrijver zijn, wat een treurige manier om je brood te verdienen. Om te beginnen leest er niemand meer en bovendien hoef ik niet eens mijn brood te verdienen. Ik ben alleen maar op zoek naar een sociaal wenselijke manier om mezelf te handhaven in alledaagse situaties. Verdomme, het is mooi weer, ik wil naar buiten en ik moet ook nog de rouwkaarten voor mijn opa versturen. Die is dit weekend overleden, een treurige man want de hele erfenis van zijn broer ging dus naar mij. Een geboren verliezer, die opa. Het liefst zou ik zijn crematie aan de gemeente overlaten, met zo’n dichter die nergens meer gevraagd wordt en zelf ook weldra de pijp uitgaat.

Ik wil alleen maar een beroep. Om me ergens op te kunnen beroepen als ik met een glas witte wijn in mijn klauwen op een feestje sta. Anders begin ik wel een commercieel massagraf op Veluwe. Ja, een reusachtige kuil waar je voor een schappelijk bedrag je opa in kunt flikkeren als hij dood is. Om vervolgens van het restant van de uitvaartverzekering met Corendon op vakantie te gaan naar Griekenland. Ach, die uitkeringstrekkers hebben het ook niet makkelijk. Ik mag niet klagen; ik hoef nooit met Corendon op vakantie. Ik heb trouwens helemaal niks tegen uitkeringstrekkers. De grootste graaiers zitten niet aan de onderkant van de arbeidsmarkt, maar aan de bovenkant ervan.

Wel heb ik een bloedhekel aan mensen die te besodemieterd zijn om even op te letten of ze zich wel op de juiste tijd op de juiste plaats bevinden. Sorry, daar heb ik echt geen clementie mee, met wat we ook wel het ‘doorsnee terrorismeslachtoffer’ kunnen noemen. Het is goed, logisch en buitengewoon rechtvaardig dat iemand die zich op het verkeerde moment op de verkeerde plek bevindt, omkomt. In de natuur gaat het er immers om dat het organisme op elk moment van zijn leven precies op de juiste plek in de Schepping is. Als je, in de luttele tachtig jaar dat je hier rondloopt, zelfs daar te bedonderd voor bent, dan kunnen we je duidelijk niet gebruiken. Zo bezien valt het met mij nog wel mee. Ik weet mij te positioneren waar het geld stroomt.

inzending voor Lowlands Verhalenwedstrijd

Het is dan toch zo ver gekomen

Soms ga ik voor mezelf na welke karaktereigenschappen ik van welke familieleden heb geërfd. Het is tijdverdrijf, pseudowetenschap, maar toch: ik vind het leuk om te doen. Wat ik heel duidelijk met mijn opa gemeen had, was een ietwat morbide gevoel voor humor. Galgenhumor zou je het ook kunnen noemen. Ik herinner me dat we na een etentje met kerst door een oud straatje in Maarssen-dorp liepen. Op de stoep van de plaatselijke uitvaartondernemer hield opa even stil en bromde iets als: “Nou, het zal mij benieuwen wanneer ik aan de beurt ben”. Daarop barstten we allebei in lachen uit.

Een uitspraak die ook vaak terugkeerde was: ‘als ik dood ben, dan zetten jullie me maar bij het grofvuil’. Ik stelde me dan voor hoe we opa na zijn overlijden in de container achter het schuurtje zouden hijsen. Hij zou sowieso een stuk uitsteken en daar misschien -als het grofvuil pas net was opgehaald -wel twee weken in weer en wind moeten staan. ’s Ochtends zouden kinderen die over het fietspad achter ons huis naar school fietsten, zich rot schrikken.

Of die keer dat hij bij mijn moeder op de thee kwam met onder zijn arm een donkergele kartonnen map waarop met viltstift in dikke rode letters ‘UITVAART’ geschreven stond. “Hè pa, doe eens even normaal, dat is allemaal allang geregeld”, zei mijn moeder, waarop opa veelbetekenend naar mij grijnsde en ik hard moest lachen.

Waarom ontwikkelt iemand een dergelijk gevoel voor humor? Zit het in de genen? Zou kunnen, de vader van mijn opa had in de crisisjaren voor de oorlog allerlei baantjes en een ervan was doodgraver. “Dan had die ouwe weer een vrachtje -ja, zo noemde die dat, ‘een vrachtje’ – en dan deed ‘ie z’n hoge zwarte hoed op, met een luciferdoosje aan de binnenkant want het ding was veel te breed voor zijn hoofd”, zo kon opa smakelijk vertellen. “En vloeken dat die ouwe kon… vloeken! Maar hij kon ook prachtig bidden. Dan stroomden de tranen je over de wangen.”

Opa en ik maakten zo vaak grappen over de dood, dat het voor mij vreemd voelt dat het voor hem nu zo ver is. Alsof opa het eeuwige leven had omdat hij zoveel grappen over de dood maakte. Dat de dood er gewoon niet zo’n zin in had, om zo’n kerel te halen die hem de hele tijd belachelijk maakt. Zou morbide humor dan een manier zijn om je angst voor de dood te bezweren? Ik denk het niet: opa was reëel genoeg om te accepteren dat het eens ophoudt. “Als ik nu doodga, heb ik een mooi leven gehad”, zei hij na zijn tachtigste opvallend vaak. Waarna hij dan intens tevreden nog een zwaar sjekkie rolde en van zijn borreltje nipte.

Misschien is grappen maken over de dood wel een manier om je eigen intensiteit van leven wat te relativeren. Ik herken dat wel, de intensiteit waarmee opa dingen deed, heb ik ook. Opa was een heel vasthoudende man. Ik denk weleens dat hij zo oud is geworden omdat hij het leven moeilijk kon loslaten. Daar zit natuurlijk een schaduwzijde aan; het is erg verdrietig om je vrouw en je dochter te overleven.

Goed, genoeg psychologisch geanalyseer. Vijf jaar geleden kwam ik er opeens achter dat ik nog heel iets anders gemeen heb met mijn opa. Het schrijven en gedichten maken had ik van mijn oma en mijn moeder, dacht ik. Totdat mijn moeder het in de weken voor mijn tweeëndertigste verjaardag steeds had over ‘iets dat opa voor je aan het maken is en dat hij je op je verjaardag wil geven’. Ik schrok in eerste instantie nogal van die mededeling. Zolang als ik me kon herinneren had opa een eigen werkplaatsje aan huis gehad, waar hij grote stalen gevaartes zoals stoommachines vervaardigde. Wat moest ik met zo’n ding in mijn huis? Stiekem bedacht ik al waar ik de mini-stoomtrein die opa voor mij aan het maken was zo onopvallend mogelijk neer kon zetten in mijn toch al zo krappe appartement.

Met lood in mijn schoenen ging ik naar mijn moeder op mijn verjaardag. Opa zat in de tuin een sigaret te roken en ik keek snel of ik langs de heg of naast het schuurtje een reusachtig ingepakt stoomschip zag staan. In plaats daarvan stond opa op en viste een stuk papier uit het jasje van zijn colbert. Hij had het zorgvuldig opgevouwen maar het zag er toch wat verfrommeld uit. “Gefeliciteerd met je verjaardag jongen”, overhandigde hij me het briefje. Er stond een gedicht op geschreven, een door opa zelf geschreven gedicht. Een regel is me altijd bijgebleven: ‘je bent naar mijn mening te bescheiden / wat niet tot hogerop zal leiden’. Het was ver voordat Donald Trump tot president van Amerika werd gekozen, dus je kunt wel zeggen dat opa op zijn bijna vijfentachtigste de tijdgeest haarfijn aanvoelde. Sterker nog, hij was zijn tijd ver vooruit door te stellen dat bescheidenheid uit de mode zou raken.

Sinds dat verjaardagsgedicht moet ik bij het gedicht ‘Poëzie is een daad’ van Remco Campert sterk denken aan mijn opa. Opa was geen schrijver, maar wel een eigenzinnige man die de dingen op zijn manier deed. Daar gaat het gedicht over.

Poëzie is en daad

van bevestiging. Ik bevestig

dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

 

Poëzie is een toekomst, denken

aan volgende week, aan een ander land,

aan jou als je oud bent.

 

Poëzie is mijn adem, beweegt

mijn voeten, aarzelend soms,

over de aarde die daarom vraagt.

 

Voltaire had pokken, maar

genas zichzelf door o.a. te drinken

120 liter limonade: dat is poëzie.

 

Of neem de branding. Stukgeslagen

op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,

maar herneemt zich en is daarin poëzie.

 

Elk woord dat wordt geschreven

is een aanslag op de ouderdom.

Tenslotte wint de dood, jazeker,

 

maar de dood is slechts de stilte in de zaal

nadat het laatste woord geklonken heeft.

De dood is een ontroering.

 

Uitgesproken op de uitvaart van mijn opa Jan Willem Leibbrand (1929-2018)

Banaler

Wandelend van Amsterdam Centraal naar de Dam, om daar de Nationale Dodenherdenking 2018 bij te wonen, hoor ik bij een eetstalletje een Duitse toerist heel hard “Gibt es hier auch Pancakes?” schreeuwen naar zijn maat. Een vliegtuigje met een reclamebanier vliegt brommend over het station. ‘HERDENK OOK DE CHURCHILL DODEN’, staat er te lezen.

Eenmaal vooraan bij de dranghekken is mijn gezelschap niet meer te houden. “Oh, ik vind het zo gaaf om hier te zijn, ik wilde dat als kind altijd al”, kirt ze drie keer achter elkaar. “Ik bewonder je enthousiasme, maar probeer het even te verbergen, het is een dodenherdenking”, temper ik. In de verte komt een stoet auto’s met blauwe zwaailichten aangereden. “Daar zijn ze, daar zijn ze!”, roepen fans van ons Koningshuis opgewonden.

Het leven is nu eenmaal banaler dan je zou willen. Daarom is het goed dat de dood nog steeds zo leeft.

ingestuurd als ‘Voetnoot voor Arnon’

Zoete wraak op Barry Atsma

“Kijk, jouw man hangt er ook tussen, net als die ex van mij”, zeg ik tegen de vriendin van de kunstenaar waarmee ik werk. We staan voor de ramen van de Duic-redactie, een lokale krant in Utrecht. Achter de ramen hangen alle voorpagina’s van de afgelopen drie jaar. De foto van de kunstenaar sierde de voorpagina in september 2017, wanneer de ex erin stond, ben ik even vergeten.

“Wat is dat toch, dat sommige mannen minder knap worden naarmate ze ouder worden?”, wijst de vriendin naar een foto van Barry Atsma. Ik verkeer even in totale verwarring. “Hè, wat bedoel je? Vrouwen worden altijd helemaal wild van Barry Atsma, en mannen worden hoe ouder hoe knapper, zeggen ze. Geldt dat dan uitgerekend niet voor de knapste man van Nederland?”

“Ja”, houdt ze stug vol, “hij is duidelijk iets kaler dan vroeger en dat is heel onaantrekkelijk, zo’n kalende man.” Meteen denk ik terug aan de avond, jaren terug, in een bioscoop in Breda. Er was een Ladies Night georganiseerd met alleen maar vrouwenfilms. Barry Atsma speelde in één van die films en kwam ter promotie daarvan hoogstpersoonlijk langs. In de hele bioscoop bevonden zich welgeteld vijf mannen, allen aan het werk, onder wie ik.

Toen kwam Barry binnen. Nog nooit heb ik me zo vernederd gevoeld. Honderden starende vrouwenogen, alleen maar naar hem. Werkelijk niemand keek naar mij en mijn vier medeslachtoffers. Maanden ben ik er kapot van geweest, maar nu ruik ik wraak.

“Dus… dus wacht even, je bedoelt… het zou dus kunnen..”, stamel ik in steeds grotere staat van opwinding tegen de vriendin van de kunstenaar. “Het zou dus heel goed mogelijk zijn dat ik, als ik mijn volle bos haar tenminste houd, op mijn zestigste veel en veel knapper ben dan Barry Atsma?” Bijna hijgend pers ik die laatste woorden eruit. Ik heb het ondertussen vreselijk warm gekregen. Mijn bloed kookt, zo hoog zit het me blijkbaar nog steeds van die Ladies Night -voor mij Horror Night- in Breda.

“Ja hoor, dat kan makkelijk”, is het antwoord. Onmiddellijk neem ik me voor om een acteercarrière te starten. En dan maar hopen dat ik een ster word op het witte doek. En dat er dan nog een keer zo’n Ladies Night wordt georganiseerd. En dat Barry intussen zijn hele vermogen heeft vergokt en een bijbaantje in de bioscoop nodig heeft. ‘Zoete Wraak’, zal de film heten waarin ik speel.

verschenen in Metro

Dagen zonder Halbe #40

Op een feestje vraag ik aan A. wat hij heeft gestemd. Ik weet het stiekem al. “En, weer lekker ‘blond’ gestemd deze keer?”, zuig ik. Hij beaamt. Hij is een hogeropgeleide PVV’er en komt daar rond voor uit.

B. gaat meteen vol op het orgel. Zij heeft laatst nog tegen Wilders gedemonstreerd. De sfeer wordt ongemakkelijk als een derde gast zich met het gesprek bemoeit. “Volgens mij zijn mensen die heel erg tegen Wilders zijn, op hun eigen manier de hele tijd bezig met Wilders. Daarom hebben ze waarschijnlijk meer met Wilders gemeen dan ze zelf willen toegeven”, psychologiseert hij tegen de linkse vriendin.

“Jij hebt net als enige de naam ‘Wilders’ drie keer in een zin genoemd, dus in jouw leeft hij waarschijnlijk nog het meest”, psychologiseer ik er grappenderwijs overheen, in een poging het door mij aangestoken vuurtje te doven. “Bier, iemand?”, bood C. onmiddellijk zijn blusdiensten aan.