Voor opa

Soms ga ik voor mezelf weleens na welke karaktereigenschappen ik van welke familieleden heb geërfd. Het is tijdverdrijf, pseudowetenschap, maar toch: ik vind het leuk om te doen. Wat ik heel duidelijk met mijn opa gemeen had, was een ietwat morbide gevoel voor humor. Galgenhumor zou je het ook kunnen noemen. Ik herinner me dat we na een etentje met kerst door een oud straatje in Maarssen-dorp liepen. Op de stoep van de plaatselijke uitvaartondernemer hield opa even stil en bromde iets als: “Nou, het zal mij benieuwen wanneer ik aan de beurt ben”. Daarop barstten we allebei in lachen uit.

Een uitspraak die ook vaak terugkeerde was: ‘als ik dood ben, dan zetten jullie me maar bij het grofvuil’. Ik stelde me dan voor hoe we opa na zijn overlijden in de container achter het schuurtje zouden hijsen. Hij zou sowieso een stuk uitsteken en daar misschien -als het grofvuil pas net was opgehaald -wel twee weken in weer en wind moeten staan. ’s Ochtends zouden kinderen die over het fietspad achter ons huis naar school fietsten, zich rot schrikken.

Of die keer dat hij bij mijn moeder op de thee kwam met onder zijn arm een donkergele kartonnen map waarop met viltstift in dikke rode letters ‘UITVAART’ geschreven stond. “Hè pa, doe eens even normaal, dat is allemaal allang geregeld”, zei mijn moeder, waarop opa veelbetekenend naar mij grijnsde en ik hard moest lachen.

Waarom ontwikkelt iemand een dergelijk gevoel voor humor? Zit het in de genen? Zou kunnen, de vader van mijn opa had in de crisisjaren voor de oorlog allerlei baantjes en een ervan was doodgraver. “Dan had die ouwe weer een vrachtje -ja, zo noemde die dat, ‘een vrachtje’ – en dan deed ‘ie z’n hoge zwarte hoed op, met een luciferdoosje aan de binnenkant want het ding was veel te breed voor zijn hoofd”, zo kon opa smakelijk vertellen. “En vloeken dat die ouwe kon… vloeken! Maar hij kon ook prachtig bidden. Dan stroomden de tranen je over de wangen.”

Opa en ik maakten zo vaak grappen over de dood, dat het voor mij vreemd voelt dat het voor hem nu zo ver is. Alsof opa het eeuwige leven had omdat hij zoveel grappen over de dood maakte. Dat de dood er gewoon niet zo’n zin in had, om zo’n kerel te halen die hem de hele tijd belachelijk maakt. Zou morbide humor dan een manier zijn om je angst voor de dood te bezweren? Ik denk het niet: opa was reëel genoeg om te accepteren dat het eens ophoudt. “Als ik nu doodga, heb ik een mooi leven gehad”, zei hij na zijn tachtigste opvallend vaak. Waarna hij dan intens tevreden nog een zwaar sjekkie rolde en van zijn borreltje nipte.

Misschien is grappen maken over de dood wel een manier om je eigen intensiteit van leven wat te relativeren. Ik herken dat wel, de intensiteit waarmee opa dingen deed, heb ik ook. Opa was een heel vasthoudende man. Ik denk weleens dat hij zo oud is geworden omdat hij het leven moeilijk kon loslaten. Daar zit natuurlijk een schaduwzijde aan; het is erg verdrietig om je vrouw en je dochter te overleven.

Goed, genoeg psychologisch geanalyseer. Vijf jaar geleden kwam ik er opeens achter dat ik nog heel iets anders gemeen heb met mijn opa. Het schrijven en gedichten maken had ik van mijn oma en mijn moeder, dacht ik. Totdat mijn moeder het in de weken voor mijn tweeëndertigste verjaardag steeds had over ‘iets dat opa voor je aan het maken is en dat hij je op je verjaardag wil geven’. Ik schrok in eerste instantie nogal van die mededeling. Zolang als ik me kon herinneren had opa een eigen werkplaatsje aan huis gehad, waar hij grote stalen gevaartes zoals stoommachines vervaardigde. Wat moest ik met zo’n ding in mijn huis? Stiekem bedacht ik al waar ik de mini-stoomtrein die opa voor mij aan het maken was zo onopvallend mogelijk neer kon zetten in mijn toch al zo krappe appartement.

Met lood in mijn schoenen ging ik naar mijn moeder op mijn verjaardag. Opa zat in de tuin een sigaret te roken en ik keek snel of ik langs de heg of naast het schuurtje een reusachtig ingepakt stoomschip zag staan. In plaats daarvan stond opa op en viste een stuk papier uit het jasje van zijn colbert. Hij had het zorgvuldig opgevouwen maar het zag er toch wat verfrommeld uit. “Gefeliciteerd met je verjaardag jongen”, overhandigde hij me het briefje. Er stond een gedicht op geschreven, een door opa zelf geschreven gedicht. Een regel is me altijd bijgebleven: ‘je bent naar mijn mening te bescheiden / wat niet tot hogerop zal leiden’. Het was ver voordat Donald Trump tot president van Amerika werd gekozen, dus je kunt wel zeggen dat opa op zijn bijna vijfentachtigste de tijdgeest haarfijn aanvoelde. Sterker nog, hij was zijn tijd ver vooruit door te stellen dat bescheidenheid uit de mode zou raken.

Sinds dat verjaardagsgedicht moet ik bij het gedicht ‘Poëzie is een daad’ van Remco Campert sterk denken aan mijn opa. Opa was geen schrijver, maar wel een eigenzinnige man die de dingen op zijn manier deed. Daar gaat het gedicht over.

Poëzie is en daad

van bevestiging. Ik bevestig

dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

 

Poëzie is een toekomst, denken

aan volgende week, aan een ander land,

aan jou als je oud bent.

 

Poëzie is mijn adem, beweegt

mijn voeten, aarzelend soms,

over de aarde die daarom vraagt.

 

Voltaire had pokken, maar

genas zichzelf door o.a. te drinken

120 liter limonade: dat is poëzie.

 

Of neem de branding. Stukgeslagen

op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,

maar herneemt zich en is daarin poëzie.

 

Elk woord dat wordt geschreven

is een aanslag op de ouderdom.

Tenslotte wint de dood, jazeker,

 

maar de dood is slechts de stilte in de zaal

nadat het laatste woord geklonken heeft.

De dood is een ontroering.

 

Uitgesproken op de uitvaart van mijn opa Jan Willem Leibbrand (1929-2018)

Advertenties

Banaler

Wandelend van Amsterdam Centraal naar de Dam, om daar de Nationale Dodenherdenking 2018 bij te wonen, hoor ik bij een eetstalletje een Duitse toerist heel hard “Gibt es hier auch Pancakes?” schreeuwen naar zijn maat. Een vliegtuigje met een reclamebanier vliegt brommend over het station. ‘HERDENK OOK DE CHURCHILL DODEN’, staat er te lezen.

Eenmaal vooraan bij de dranghekken is mijn gezelschap niet meer te houden. “Oh, ik vind het zo gaaf om hier te zijn, ik wilde dat als kind altijd al”, kirt ze drie keer achter elkaar. “Ik bewonder je enthousiasme, maar probeer het even te verbergen, het is een dodenherdenking”, temper ik. In de verte komt een stoet auto’s met blauwe zwaailichten aangereden. “Daar zijn ze, daar zijn ze!”, roepen fans van ons Koningshuis opgewonden.

Het leven is nu eenmaal banaler dan je zou willen. Daarom is het goed dat de dood nog steeds zo leeft.

ingestuurd als ‘Voetnoot voor Arnon’

Zoete wraak op Barry Atsma

“Kijk, jouw man hangt er ook tussen, net als die ex van mij”, zeg ik tegen de vriendin van de kunstenaar waarmee ik werk. We staan voor de ramen van de Duic-redactie, een lokale krant in Utrecht. Achter de ramen hangen alle voorpagina’s van de afgelopen drie jaar. De foto van de kunstenaar sierde de voorpagina in september 2017, wanneer de ex erin stond, ben ik even vergeten.

“Wat is dat toch, dat sommige mannen minder knap worden naarmate ze ouder worden?”, wijst de vriendin naar een foto van Barry Atsma. Ik verkeer even in totale verwarring. “Hè, wat bedoel je? Vrouwen worden altijd helemaal wild van Barry Atsma, en mannen worden hoe ouder hoe knapper, zeggen ze. Geldt dat dan uitgerekend niet voor de knapste man van Nederland?”

“Ja”, houdt ze stug vol, “hij is duidelijk iets kaler dan vroeger en dat is heel onaantrekkelijk, zo’n kalende man.” Meteen denk ik terug aan de avond, jaren terug, in een bioscoop in Breda. Er was een Ladies Night georganiseerd met alleen maar vrouwenfilms. Barry Atsma speelde in één van die films en kwam ter promotie daarvan hoogstpersoonlijk langs. In de hele bioscoop bevonden zich welgeteld vijf mannen, allen aan het werk, onder wie ik.

Toen kwam Barry binnen. Nog nooit heb ik me zo vernederd gevoeld. Honderden starende vrouwenogen, alleen maar naar hem. Werkelijk niemand keek naar mij en mijn vier medeslachtoffers. Maanden ben ik er kapot van geweest, maar nu ruik ik wraak.

“Dus… dus wacht even, je bedoelt… het zou dus kunnen..”, stamel ik in steeds grotere staat van opwinding tegen de vriendin van de kunstenaar. “Het zou dus heel goed mogelijk zijn dat ik, als ik mijn volle bos haar tenminste houd, op mijn zestigste veel en veel knapper ben dan Barry Atsma?” Bijna hijgend pers ik die laatste woorden eruit. Ik heb het ondertussen vreselijk warm gekregen. Mijn bloed kookt, zo hoog zit het me blijkbaar nog steeds van die Ladies Night -voor mij Horror Night- in Breda.

“Ja hoor, dat kan makkelijk”, is het antwoord. Onmiddellijk neem ik me voor om een acteercarrière te starten. En dan maar hopen dat ik een ster word op het witte doek. En dat er dan nog een keer zo’n Ladies Night wordt georganiseerd. En dat Barry intussen zijn hele vermogen heeft vergokt en een bijbaantje in de bioscoop nodig heeft. ‘Zoete Wraak’, zal de film heten waarin ik speel.

verschenen in Metro

Dagen zonder Halbe #40

Op een feestje vraag ik aan A. wat hij heeft gestemd. Ik weet het stiekem al. “En, weer lekker ‘blond’ gestemd deze keer?”, zuig ik. Hij beaamt. Hij is een hogeropgeleide PVV’er en komt daar rond voor uit.

B. gaat meteen vol op het orgel. Zij heeft laatst nog tegen Wilders gedemonstreerd. De sfeer wordt ongemakkelijk als een derde gast zich met het gesprek bemoeit. “Volgens mij zijn mensen die heel erg tegen Wilders zijn, op hun eigen manier de hele tijd bezig met Wilders. Daarom hebben ze waarschijnlijk meer met Wilders gemeen dan ze zelf willen toegeven”, psychologiseert hij tegen de linkse vriendin.

“Jij hebt net als enige de naam ‘Wilders’ drie keer in een zin genoemd, dus in jouw leeft hij waarschijnlijk nog het meest”, psychologiseer ik er grappenderwijs overheen, in een poging het door mij aangestoken vuurtje te doven. “Bier, iemand?”, bood C. onmiddellijk zijn blusdiensten aan.

Dagen zonder Halbe #39

De winter verdraag ik ieder jaar manmoedig, ik stel me erop in. Het is steeds het staartje dat me nekt. Die dagen in maart en april dat lente aarzelt.

Zoals vorig jaar op Eerste Paasdag. Ik had de avond ervoor teveel gedronken, en snakte naar hete zonnestralen die de spijker in mijn voorhoofd zouden laten smelten. Maar er was geen zon, en ook geen eten in huis. Er was alleen het benzinestation aan de overkant waar ze koeken per stuk in dikke plastic verpakkingen verkopen.

Met de spijker venijnig prikkend in de bevroren voorste delen van mijn hersenen, sjokte ik over her en der scheurend asfalt om een roze koek te kopen. Een ijzige windvlaag blies een donkergrijze wolk langs minder grijze wolken.

Ik moest toch eens wat minder optimistisch worden, dacht ik kauwend op mijn roze koek. Pas half april is het structureel boven de vijftien graden. Maar dat duurt zo lang vanaf oktober.

Dagen zonder Halbe #38

Edwin Evers stopt ermee. Zijn vertrek ‘hing al een tijdje in de lucht’, om een typische radio-woordgrap te maken. Omdat de woordgrappen me mijn neus uitkwamen, wisselde ik mijn radiocarrière in voor een schrijversbestaan. Ik wil nu de nieuwe Gerard Reve worden, terwijl ik vroeger de nieuwe Edwin Evers wilde worden.

In mijn jongenskamer zat ik in de aanslag op nieuwjaarsdag 1998. Met een vers cassettebandje in mijn draagbare radio en mijn hand op de rec/play-knop. Om zes uur die ochtend zou Edwin Evers de eerste aflevering van ‘Evers Staat op’ presenteren. Ik weet zelfs nog wat de eerste plaat was, Republica met ‘Ready to go’.

De twintig jaar daarna zou de radiowereld een onbeklimbare ijsberg worden. Niet zozeer voor mij – ik schopte het uiteindelijk tot dj op het landelijke radiostation Kink FM. Maar op radiofeestjes verzuchtte er altijd wel iemand: “Tja, pas als Evers stopt, dan liggen er weer kansen”. 

Dagen zonder Halbe #37

Natuurlijk vallen de billen van Dionne Stax onder de vrije nieuwsgaring! Zoiets moet de bebrilde en kalende jongeman gisteravond in TivoliVredenburg hebben gedacht toen hij, staande op de brede houten trap achter het decortje waar Dionne de verkiezinguitslag van de gemeente Rucphen stond te presenteren, een foto maakte van haar achterwerk.

De reeds op Dionne’s achterzijde gerichte telefoon voor zijn buik houdend, kijkt de knaap schichtig om zich heen, drukt haastig af, en maakt dan nogmaals een nerveus rukje met zijn hoofd. Eerst naar links, daarna iets verder naar achter. Maar niet ver genoeg om te merken dat hij wordt gefilmd.

Natuurlijk vallen beelden van een bebrilde en kalende jongeman die heimelijk zo’n Rucphens kiekje maakt onder de vrije nieuwsgaring! Zoiets moeten ze bij de Telegraaf gedacht hebben, want de video is te bewonderen op hun website.

Grappig hoe juist vrije nieuwsgaring tot een wereld met steeds minder bewegingsvrijheid leidt.